Briefwisseling van twee fietsers (brief 2)

Magnolia_Westsingel_1500px

Piet en Duco zijn lid van de Fietsersbond. Ze spreken elkaar niet zo vaak, want ze zijn druk druk druk. En ja, corona. Daarom schrijven ze elkaar elke maand een brief en bespreken het leven naast al dat gedoe, het leven op onze fietsen. Die brieven komen op de webpagina van de Fietsersbond en op facebook. Eigenlijk een soort blog over fietsen en hoe leuk dat is.

Pandemos, de god van alles wat niet doorgaat ...

Amersfoort, april 2021

Beste Duco,

Ik moet je iets bekennen, als fietsmaatje kan ik dat vast tegen je zeggen. Fietsers en fietsers, dat begrijpt elkaar.

Waar jouw belevenis overloopt van enthousiasme, worstel ik met mijn ontdek-honger in deze alsmaar voortdurende tijd. Maanden en maanden waarin Pandemos, de god van alles wat niet doorgaat, met z’n zwaard het land tot stoppelvelden kaalslaat. Ik ken alles, zag alles, fietste alles, dat is m’n gevoel. Na mezelf meer dan een half jaar te hebben overtuigd dat er niets mis is met aardappels met sperziebonen, dat je kunt variëren door de aardappels te bakken of de bonen te laten zwemmen in Thaise curry, na steeds de voorraadkast te hebben gecheckt, vind ik daar nog steeds alleen aardappels en bonen. De lust tot eten vergaat me, terwijl er niets leukers is dan fietsen. Dat vind ik heel moeilijk, ontdek ik.

Maar dat is nog niet alles. Afgelopen weekend, toen we thuis Pasen vierden, was mijn oudste zus op bezoek. Na koffie en taart (en nog eens koffie) keken we elkaar aan: wat gaan we doen? Met de auto naar Den Treek veto-de ik. Zo vaak heb ik me gestoord aan die ritsen auto’s in de berm, storende residuen van luiheid die achterblijven als de inzittenden in de natuur zijn verdwenen. Dus vanaf de voordeur fietsen, dus Amersfoort in.

Als kind vond ik niets ergers dan met Kerst een ‘blokje om door de wijk’. Dat was zo treurig dat je dat alleen deed met een verklaring van voltooid leven op zak. Excuus, als kind mis je de nuance. Nu doe ik het zelf. Ook gij Petrus, et tu Petre. Met Marianne fiets ik door de Bloemendalsestraat. Langs de Joodse begraafplaats, voorbij het Tolhuis. Over de klinkers die, dat weet je pas als je fietst, de langzame helling opgaan naar de Hof. De bocht naar links, de borden en de haaientanden waarover we als Fietsersbond meer dan eens ehm… feedback hebben gegeven. Linksaf de Teut in, via het Dreyershofje waar een vriend van oudste zoon Dirk woont. Een stuk verder over de Varkensmarkt en het verhaal van de kei. De Lange Jan met een kanteel dat hoger is dan de andere drie, symbool voor het kindje Jezus, op de arm van z’n moeder, Onze Lieve Vrouw. Ik vertel m’n zus wat ik weet van m’n stad, als een gids, en voel iets vanuit m’n tenen omhoog komen. Trots. Als in een woeste theatrale wending denk ik ‘je leven is pas voltooid als je door Amersfoort gefietst hebt’. Zoiets als Vedi Napoli e poi muori – Napels zien en dan sterven. Terwijl we, toen we door die stad fietsten, meer bezig waren met niet te sterven terwijl we Napels zagen.

Dat laatste ben ik alweer vergeten als ik terug naar huis fiets. Een blije fietser, opnieuw, die trots is op z’n stad. Maar vanavond geen aardappels met sperziebonen.

Piet Peeters

Categorieën